U bevindt zich op: Home Hoofdlijnen

Nederlandse gezondheidszorg op hoofdlijnen

De Zorgbalans beschrijft de prestaties van de gezondheidszorg.

In de Zorgbalans geven we een overzicht van de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg en het functioneren van het zorgsysteem in bredere zin. De Zorgbalans wordt sinds 2006 gemaakt in opdracht van het ministerie van VWS. De wijze waarop het begrip ‘prestaties’ is uitgewerkt, sluit daarom aan bij de zogenaamde ‘systeemdoelen’ waarvoor de minister van VWS verantwoordelijk is: kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid.

Internationaal

Internationale vergelijking van kwaliteitsindicatoren van de OECD laat zien dat bij het merendeel van deze indicatoren Nederland bovengemiddeld scoort vergeleken bij andere welvarende landen. Op specifieke terreinen lopen de resultaten uiteen. Bij sommige indicatoren hoort Nederland bij de best scorende landen. Zo worden in Nederland de minste antibiotica voorgeschreven in de eerste lijn en worden patiënten met een heupfractuur vaker binnen 48 uur geopereerd dan in veel andere landen. Op andere indicatoren scoort Nederland minder gunstig: zo zijn de sterfte na een beroerte of myocardinfarct en de perinatale sterfte aan de hoge kant.

Veel kwaliteitsindicatoren laten een gunstige trend zien: de 30-dagensterfte na een beroerte of myocardinfarct nam af, evenals de (vermijdbare) sterfte in ziekenhuizen en het vóórkomen van ziekenhuisinfecties. De snelheid waarmee wordt gestart met een operatie bij heupfracturen nam toe, de 5-jaarsoverleving bij verschillende vormen van kanker steeg, en ook in de langdurige zorg zagen we gunstige trends zoals een afname van decubitus en ondervoeding.

Naar boven

Geboortezorg

Een terrein dat in positieve zin opvalt, is de zorg rond de geboorte. Toen in 2008 bleek dat Nederland haar toppositie als één van de landen met de laagste perinatale sterfte was kwijtgeraakt, was dat voor betrokken partijen aanleiding om actie te ondernemen. De stuurgroep Zwangerschap en geboorte formuleerde aanbevelingen om de zorg te verbeteren. Een aantal indicatoren in deze Zorgbalans sluit rechtstreeks aan op deze aanbevelingen en deze laten gunstige trends zien. Zo is in 2008 de perinatale audit ingevoerd, en is de deelname hieraan sterk gegroeid. In 2012 hebben vrijwel alle verloskundigen en gynaecologen ten minste eenmaal deelgenomen. Dergelijke audits hebben in het buitenland laten zien tot daadwerkelijke kwaliteitsverbetering te leiden. Steeds minder zwangere vrouwen roken en steeds meer zwangere vrouwen, ook in achterstandswijken, melden zich op tijd bij de verloskundige of huisarts. De perinatale sterfte is internationaal gezien nog altijd aan de hoge kant, maar neemt nog steeds af.

Naar boven

Ouderenzorg

Ouderenzorg hoge werkdruk gaat ten koste van tijd voor cliënten

Naast een aantal positieve ontwikkelingen in de langdurige zorg, zoals de daling van ondervoeding en decubitus, vallen in de ouderenzorg enkele minder gunstige bevindingen op.

Bewoners van instellingen voor verpleging en verzorging (V&V) en hun vertegenwoordigers rapporteren vaker ongunstige ervaringen dan zorggebruikers in andere sectoren. Vooral een gebrek aan tijd en aandacht springen er uit; een derde van de bewoners van instellingen voor V&V zegt dat er nooit of slechts ‘soms’ voldoende tijd aan hen wordt besteed. Er blijken grote verschillen te zijn tussen instellingen: het maakt dus veel uit in welke instelling iemand terecht komt. Wanneer doorgevraagd wordt over bronnen van onvrede of juist positieve zaken, blijkt dat het werk van zorgverleners wel degelijk gewaardeerd wordt. De onvrede komt dus niet voort uit slecht functionerende zorgverleners. Het beeld wordt bevestigd door het personeel: een derde van de zorgverleners in de sector V&V gaf in 2013 aan dat er niet genoeg personeel was om goede kwaliteit van zorg te kunnen leveren, in verzorgingshuizen was dit 43% en in verpleeghuizen 53%. Van de zorgverleners in verpleeghuizen noemde 15% de zorg die binnen hun eigen afdeling wordt verleend ‘regelmatig of vaak niet goed’. Ook in vorige edities van de Zorgbalans werden deze zaken gesignaleerd en ook in het politieke en publieke debat is het ‘tekort aan handen’ veelvuldig aan de orde gekomen. Er lijkt dan ook niet zozeer sprake van een negatieve trend, maar van een hardnekkig probleem.

Naar boven

Verschillen

Nog steeds grote verschillen in medisch handelen tussen zorgaanbieders

Verschillen in medisch handelen tussen aanbieders bij vergelijkbare situaties (praktijkvariatie) staat de laatste jaren sterk in de belangstelling. De verschillen zijn vaak groot, met andere woorden: de behandeling die een patiënt krijgt, kan sterk verschillen al naar gelang bij welke aanbieder deze terecht komt. Bevallingen in een laagrisicogroep (zwangere vrouwen met een voldragen eerste kind in hoofdligging) worden in sommige ziekenhuizen in 40% van de gevallen ingeleid, terwijl dit in de meest terughoudende ziekenhuizen bij slechts 10% van de gevallen gedaan wordt. Vergelijkbare verschillen zien we in het uitvoeren van kunstverlossingen en keizersneden. Welke ziekenhuizen veel en welke weinig van zulke ingrepen verrichten is niet openbaar. Daarnaast verschilt de mate waarin huisartsen aanbevelingen uit professionele richtlijnen volgen bij het voorschrijven van medicatie. Huisartsen die het meest richtlijnconform voorschrijven volgen deze aanbevelingen meer dan 30% vaker op dan degenen die het minst de richtlijnen volgen. Ook zijn er ziekenhuizen waarbij 100% van de heupfracturen binnen een kalenderdag geopereerd wordt. Dit vermindert de kans op complicaties en sterfte. Er zijn echter ook ziekenhuizen die minder dan 80% halen.

Naar boven

Toegankelijk

Eerdere edities van de Zorgbalans lieten zien dat toegankelijkheid bij uitstek één van de sterke eigenschappen is van het Nederlandse zorgsysteem. Er bestaat een goede geografische dekking van zorgvoorzieningen en de weg naar de huisarts, fysiotherapeut of verloskundige kan doorgaans binnen een paar minuten met de auto worden afgelegd. Een autorit naar het ziekenhuis duurt bijna nooit langer dan een half uur. Wachttijden, iets dat nogal eens als één van de problemen van de Nederlandse zorg wordt gezien, zijn sinds 2008 voor het overgrote deel van de behandelingen in het ziekenhuis, inclusief de polikliniek, afgenomen. In de langdurige zorg is er een aanzienlijk aantal wachtenden, maar het aantal problematisch wachtenden is ook hier laag. Ook de verschillen in toegankelijkheid voor verschillende demografische of sociaaleconomische groepen lijken beperkt. Alleen tandartsbezoek vormt hierop een uitzondering, hoger opgeleiden gaan vaker voor controle van het gebit. De sociaaleconomische verschillen in tandartsbezoek zijn hardnekkig en komen in vrijwel alle westerse landen naar voren. Internationaal beschouwd zijn deze verschillen in Nederland overigens klein.

Naar boven

Financiële toegankelijkheid

Minder vanzelfsprekend dan voorheen

Het afzien van curatieve zorg om financiële redenen, kwam in Nederland tot voor kort nauwelijks voor. De afgelopen jaren lijkt hier een kentering in op te treden. Zo gaf in 2013 12% van de Nederlandse respondenten in de Health Policy survey aan dat ze in het voorgaande jaar wel eens af hadden gezien van een bezoek aan een arts vanwege de kosten. Drie jaar daarvoor was dat nog 2%. Een vergelijkbare toename zagen we bij het afzien van een aanbevolen medisch onderzoek of behandeling (van 3% naar 16%). Het afzien van zorg vanwege kosten is niet per definitie ongewenst, met het verplicht eigen
risico wordt zelfs beoogd om zorg af te remmen als die niet noodzakelijk is. Intomart GfK kwam in 2013 tot wat lagere percentages van mensen die afzagen van zorg en kwalificeerde een deel hiervan als ‘gewenste zorgmijding’. De mate waarin zorggebruik al dan niet als gewenst of noodzakelijk kan worden beschouwd, is echter moeilijk te bepalen en er bestaan geen algemeen aanvaarde criteria voor.

Mogelijk spelen hier de verhoging van het verplichte eigen risico, het minder vaak hebben van een aanvullende verzekering en de gevolgen van de economische recessie een rol. Een aanvullende analyse van IQ Healthcare liet zien dat er sprake is van een duidelijk inkomenseffect: hoe lager het inkomen, hoe vaker mensen van zorg afzien. In een onderzoek van NIPO in 2013 gaf 68% van de specialisten en driekwart van de huisartsen aan in de eigen praktijk te zien dat mensen afzien van bepaalde zorg vanwege de kosten. In een enquête uitgevoerd door de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) in 2014 gaf 94% van de huisartsen aan dat patiënten adviezen wel eens niet opvolgen vanwege de kosten, 70% maakt dit dagelijks of wekelijks mee. Adviezen die het vaakst niet werden opgevolgd vanwege kosten, waren volgens huisartsen lab-onderzoeken, medicijnen afhalen, ggz-bezoek, aanvullende onderzoeken zoals
röntgenfoto’s en bezoek aan andere eerstelijnszorg, bijvoorbeeld fysiotherapeuten.

Naar boven

Zorguitgaven

Ongetwijfeld is één van de meest opvallende trendbreuken sinds vorige edities van de Zorgbalans te zien bij de zorguitgaven. De zorguitgaven stegen in de periode 2000-2013 gemiddeld met 5,5% per jaar. In 2011, 2012 en 2013 vlakte deze groei af naar respectievelijk 2,5% en 4,3 en 2% per jaar. Een van de verklaringen hiervoor is de economische recessie die in deze periode gaande was. Economische welvaart en zorguitgaven hangen nauw met elkaar samen. In de periode na 2009 was in verschillende Europese landen zelfs een daling in de zorguitgaven waarneembaar, iets wat daarvoor vrijwel nergens voorkwam. Een deel van het afvlakken van de stijging in Nederland is toe te schrijven aan beleid dat daarop is gevoerd. Zo hebben de Wet geneesmiddelenprijzen en het preferentiebeleid van zorgverzekeraars ervoor gezorgd dat de uitgaven aan geneesmiddelen sterk werden afgeremd. De OECD, die onderzoek deed naar de reactie van landen op de economische recessie, liet zien dat vooral de groei in uitgaven aan geneesmiddelen en aan preventie in veel landen het sterkst zijn afgenomen. Ook in Nederland is dat het geval. Binnen Europa hoort Nederland nog altijd tot de landen met de hoogste zorguitgaven als percentage van het bruto binnenlands product, wat voornamelijk is toe te schrijven aan de langdurige zorg.

In de hoofdlijnenakkoorden zijn afspraken gemaakt over een gelimiteerde groei van de zorguitgaven in de GGZ, de medisch specialistische zorg en de eerstelijnszorg voor de periode 2014-2017. Daarnaast wordt vanaf 2015 de AWBZ hervormd. Als deze maatregelen het gewenste effect hebben, zal dat leiden tot een verdere afbuiging van de stijgende zorguitgaven.

Naar boven

Transparantie

Transparantie van kwaliteit: veel beweging

In de Zorgbalans 2010 gaven we aan dat de transparantie van de kwaliteit van zorg op veel vlakken tekortschoot. Sinds 2010 is er veel gebeurd op dit terrein maar er is nog steeds veel te doen: aan de basale voorwaarden om te komen tot valide en betrouwbare informatie is vaak niet voldaan. Vooral de versnippering, onduidelijkheid, ontoegankelijkheid en onvolledigheid van registraties is daarbij een punt van aandacht. De inspanningen om kwaliteit transparant te maken zijn allerminst tot stilstand gekomen. Verschillende initiatieven kwamen en gingen en momenteel is het aantal voorbeelden van projecten waarbinnen hard wordt gewerkt aan zichtbaarheid van kwaliteit groter dan ooit. Naar verwachting gaat het onlangs opgerichte Kwaliteitsinstituut een belangrijke rol hierin spelen. Ook bij verzekeraars zien we dat waar voorheen voornamelijk over geld werd gesproken, nu steeds vaker kwaliteit een (bescheiden) rol speelt bij de zorginkoop. Door de beroepsgroepen zijn vele registraties opgezet die helpen het eigen handelen te spiegelen aan dat van anderen. Een ontwikkeling die in dit verband het vermelden waard is, is de veel bezochte ZorgkaartNederland. Deze laat zien dat patiënten wellicht meer geïnteresseerd zijn in de persoonlijke verhalen van anderen dan in de meer abstracte, kwantitatieve indicatoren. Het is een manier van informatie delen met anderen die mensen kennen van het zoeken naar campings en restaurants. Gezien de vele nieuwe initiatieven om kwaliteit van zorg transparant te maken is het te vroeg voor definitieve conclusies over transparantie. De komende jaren moet duidelijk worden wat andere benaderingen, liefst gevoed door goede registraties, bijdragen aan transparantie van kwaliteit.

Naar boven

Concurrentie

Gereguleerde concurrentie meer zichtbaar

Met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 heeft de Rijksoverheid het Nederlandse zorgstelsel voor curatieve zorg ingericht volgens het model van gereguleerde concurrentie. In de Zorgbalans 2010 concludeerden we, mede op basis van de Evaluatie Zorgverzekeringswet en Wet op de Zorgtoeslag dat er nog lang niet aan alle randvoorwaarden voor gereguleerde concurrentie was voldaan en dat de effecten van het beleid dan ook weinig zichtbaar waren. Wellicht was het nog te vroeg om de effecten van een dusdanig omvangrijke stelselherziening zichtbaar te maken. In deze Zorgbalans signaleren we dat aan de genoemde randvoorwaarden beter wordt voldaan. Verzekeraars zijn zich meer gaan profileren en hebben de eerste stappen genomen richting selectieve contractering. Een aantal beleidsmaatregelen, zoals de uitbreiding van de vrij onderhandelbare zorg (B-segment) zorgt ervoor dat verzekeraars en zorgaanbieders
bovendien meer contractvrijheid krijgen. Kritisch inkoopbeleid door zorgverzekeraars op basis van kwaliteit komt echter nog weinig voor. Dat er ook daadwerkelijk sprake is van concurrentie tussen verzekeraars, blijkt onder andere uit het aantal mensen dat overstapt: 1,2 miljoen in 2013. De hoogte van de nominale premie, die de verzekeraars zelf mogen bepalen op basis van het door de overheid vastgestelde basispakket, is in 2014 afgenomen.

Naar boven

 

Toekomst

Informatie in de Zorgbalans is altijd gebaseerd op wat daadwerkelijk gemeten kan worden en zegt dus per definitie niets over de toekomst. Desondanks anticiperen we wel op ontwikkelingen. Zo zal de grote verschuiving van zorg van de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Zorgverzekeringswet aandachtig worden gevolgd en wordt al gewerkt aan nog betere indicatoren om dit proces te monitoren. Ook de transparantie van kwaliteit is actueel, en zal dat in de nabije toekomst zeker blijven. Juist in tijden dat het zorgsysteem zo volop in beweging is, is het van belang om een robuust instrument te hebben dat de vinger aan de pols houdt op het gebied van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Tegelijkertijd vragen nieuwe ontwikkelingen vaak ook om nieuwe en andere indicatoren. De komende jaren zal de Zorgbalans dan ook mee veranderen met de vele ontwikkelingen en blijft het meten van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid de kern.

Naar boven

 

 

Zoeken:

Service